Column Daan: Rammen op de rollen op het balkon

Ik denk dat het zondag mis ging. Afgelopen zondag is er iets in gang gezet dat er voor gezorgd heeft dat ik nu duizelig op de bank zit terwijl ik probeer de smaak van opgerispte risotto te verdrijven met kwark.

Afgelopen zondag reed ik mee met de wekelijkse Hellas Ledig Erf rit. We rijden dan een vaste ronde, geleend van Fietsclub Ledig Erf, waarbij we op niemand wachten. Gelost? Lekke band? Plasstop? Jammer dan, we rijden door. Deze rit is een medicijn tegen een teveel aan sociale conventies. Je kunt eindelijk lekker trainen in een groep, zonder constant opgehouden te worden door diezelfde groep.

Voor mij was het een van de eerste fietstrainingen in aanloop naar het nieuwe seizoen, en ik had er zin in. Zoals elk jaar kwam ik niet erg lekker uit mijn off-season. Niet, zoals sommigen, omdat ik teveel had gezopen en gevreten, eerder omdat ik teveel had gewerkt. Ik ben er van overtuigd dat acht uur in een bureaustoel, hoe je die ook instelt, meer blessures veroorzaakt dan de lange afstand meedoen bij de Powerman in Zofingen. Je rug wordt stijf, je ademhaling oppervlakkig, je bilspieren pijnlijk, je hersenen traag. Het voordeel is dat je weer gaat verlangen naar lange trainingen. Het nadeel is dat ik elk jaar een gekke blessure krijg. Dit jaar kreeg ik opeens veel pijn bij mijn linkerheup zodat ik nu weer heel voorzichtig moet opbouwen met lopen. Reden te meer om extra hard te fietsen dus.

En het begon niet slecht: ik reed best hard op kop vond ik zelf. Op de Amerongseberg konden weliswaar twee man volgen: trainer Peter Res en trainingsmaat Luuk Vermunt, maar ik had misschien ook nog wel wat over (zo vertelde ik mezelf). Op de dijk terug naar Utrecht draaiden we in een rustige dubbele waaier tegen de wind in. Ik voelde me top, ik glimlachte toen Jurgen Langenhorst moest afhaken met simultane kramp in quadriceps en hamstring, en gaf nog wat waaiertips aan toekomstige Power(wo)men Marlou Bijlsma en Sanne Sprong. Toen ook zij en de anderen werden gelost waren we nog met drie, met wederom trainer Peter Res erbij. We draaien de Lekdijk af en rijden richting Achterdijk. Hier wordt normaal gesproken een beetje gekoerst voor de eer, maar ik voel me opeens leeg. Dan, precies na een kopbeurt van mij, demarreert Peter. Ik twijfel: Wil ik mee? Neuh. Maar kan ik mee? Tsja. Misschien wil ik het toch proberen? Misschien. Oké, ik probeer het. Kan ik het? Nee… De twijfel duurt te lang, en de gevolgen zullen groter zijn dan ik op dat moment kan vermoeden.

Van tevoren had ik Peter namelijk al verteld over mijn gevoel dat ik aan het vastroesten ben. Omdat ik niet lekker kan hardlopen, omdat ik me dik en stijf voel, enzovoort: de gebruikelijke wintertwijfels. Die Powerman in Portugal is niet ver meer. Peter maakte zich natuurlijk geen zorgen. Maar tijdens de koffiestop na afloop van de rit denk ik toch een verschil te merken: misschien maakt hij zich dan nu ook een beetje zorgen. Als we wegrijden bij het café zegt Peter onheilspellend: “Dit is wel de laatste keer dat ik je versla hè!”

Het duurt niet lang voordat ik geconfronteerd word met de gevolgen. Trainingsschema voor woensdagavond: “4 x 8 minuten Z4, mag hard, als de laatste maar de snelste is. Sleep low.” Dat betekent dus dat ik na het eten, in het donker, nog de fiets op moet voor 4 zogenaamde Seiler-blokken. Blokken die je al volledig uitwringen als je het midden op de dag in de zon doet. Ik bekijk mijn opties. Sommige mensen zijn fan van indoor trainen en dat zou het makkelijkst zijn: je koopt een fietstrainer, zet je fiets erop, stelt je vermogen in, en trapt gewoon een uur zonder na te denken. Maar ik geloof er niet in. Ten eerste wordt je gevoel met de fiets volledig verpest omdat je fiets opeens vaststaat en niet meebeweegt. Ten tweede, en belangrijker, het verwijdert het moeilijkste deel van hard fietsen. Namelijk dat je jezelf moet dwingen om een bepaald vermogen te rijden. Iedere wielrenner weet hoe zwaar het is om een tijdrit te rijden, puur omdat er niemand is die het tempo aangeeft. Alleen jíj bepaalt hoeveel jij afziet: je bent je eigen beul. Op zo’n fietstrainer train je dat niet. Dat apparaat bepaalt de wattages en jij hoeft alleen maar een onderdanige slaaf te zijn van het systeem. Nee, die fietstrainer wordt het dus niet.

Ik ga uiteindelijk voor een tweede optie: ik heb nog een rollerbank staan. Het is een vrij primitief apparaat: twee rollen voor je achterwiel met een elastiek verbonden met een rol voor je voorwiel. Zet je fiets erop, begin te trappen, en probeer rechtdoor te fietsen. Afgelopen jaar heb ik regelmatig op de tijdritfiets op de rollerbank gezeten als techniektraining. Perfecte motivatie: niet stilzitten is er vanaf vallen. De rollenbank heeft geen instelbare weerstand, maar het ding is redelijk oud dus de rollen rollen niet zo lekker meer. Ik bedenk dat als ik iets van 55 rijd, ik wel richting de 400 Watt zal gaan, en dat is meer dan genoeg voor mijn 8 minuten blokken. Ja, blokken op de rollerbank op mijn balkon, dat wordt hem.

Ik had nooit kunnen vermoeden dat het zo verschrikkelijk zou zijn. Acht minuten, 480 seconden, en in je omgeving verandert er helemaal niets. Of nouja, niets. Als je even niet oplet zakken de cijfers op je sporthorloge naar een soort zielig duurtrainingswattage. Het was vreselijk. Als de fietstrainer de blokken mentaal te makkelijk maakt, dan maakt zo’n rollerbank de blokken mentaal veel te moeilijk. Op zich niet verkeerd natuurlijk: een soort extreme prikkel die zwaarder is dan de wedstrijd zelf. Maar dit is veel te extreem: alsof je je probeert voor te bereiden op een wedstrijd in 40 graden door emmers kokend water over je heen te gooien. Dit is de mentale hel.

Mijn dieptepunten: in mijn eerste blok probeer ik mezelf af te leiden. Acht verdiepingen lager, honderd meter verder ligt een woonboot met een kerstslinger. Ik probeer de lampjes te tellen: 17 of 18, dat weet ik na acht pogingen nog steeds niet. Tijdens mijn tweede blok bekijk ik mezelf in de reflectie van de glazen balkonwand tegenover me. Ik probeer te bedenken waarom mijn reflectie naar links stuurt als ik naar rechts stuur. Ah natuurlijk! Het beweegt in spiegelbeeld, mijn spiegelbeeld. Ik denk dat mijn IQ per 5 watt een punt omlaag gaat. Tijdens het derde blok neem ik mezelf voor dat ik pas weer op mijn teller mag kijken als de pulserende kerstverlichting van de schuinonderburen 6 keer aan is geweest. Na de derde keer hebben ze de kerstverlichting uitgezet: klootzakken. Bij het vierde blok kom ik erachter dat risotto de tweede keer minder lekker smaakt en moet ik me vasthouden aan de balkonreling om niet om te vallen.

Ja, het was verschrikkelijk. Ik raad het helemaal niemand aan. De volgende keer zet ik lampjes op mijn fiets en ga ik gewoon de weg weer op. Wie stilstaand traint mist de essentie van het fietsen. Het is óf te makkelijk, óf te moeilijk. Bah. Oké, er was één positief punt: tijdens mijn uurtje fietsen heeft mijn onderbuurvrouw twee keer een sigaret gerookt. Daarbij vergeleken voelde het dan wel weer alsof ik goed bezig was.

Wim van den Broek

Wim van den Broek

Wilde in 1983 iets anders dan alleen hard fietsen, stapte snel over op microfoons uittesten, één van de drijvende krachten achter één van de oudste triatlons: Oud-Gastel, figureert in misdaadseries en mag zich ridder zonder paard noemen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

%d bloggers liken dit: